Blog
Nothing Personal: To talk about emotions or not?
Nothing Personal: praten over emoties of toch maar liever niet?
De film Nothing Personal van de Nederlands/Poolse regisseur Urszula Antoniak is een film met prachtige beelden en weinig woorden. Bor Beekman, filmredacteur van de Volkskrant, typeert in zijn filmrecensie de film daarom als een “pleidooi voor het onuitgesproken gevoel, dat van grotere waarde blijkt dan de ballast aan feitjes en wetenswaardigheden die de gemiddelde mens meesleept.”
Woorden blijken niet nodig te zijn voor een voorzichtig begin van een relatie tussen beide hoofdpersonen. Misschien kon dat ook wel niet anders vanwege de door hen vroeger opgelopen trauma’s. Het onderling vertrouwen groeit op basis van simpele afspraken (geen persoonlijke vragen: Nothing personal), humor, voorzichtige aanrakingen en kleine attenties. Toch bevredigt het uiteindelijk niet om zo weinig van de ander te weten en blijkt het moeilijk om de ander volledig te vertrouwen op basis van zo weinig kennis over die ander. Beiden gaan daarom – buiten de ander om – op zoek naar informatie over het verleden van de ander. Als de een overlijdt en een briefje achterlaat, lijkt het gemis van praten (en dieper contact) extra hard aan te komen bij degene die eenzaam achterblijft.
Mensen schrikken er vaak voor terug om over de echt moeilijke dingen in de relatie en de pijnlijke ervaringen te praten vanwege het risico van onbeheersbare emoties en een uit de hand lopende escalatie. Bij mediation wordt daarom vaak het advies gegeven om het pijnlijke verleden liever te laten liggen en de aandacht te richten op wat men gemeenschappelijk heeft met de ander en op wat beiden verbindt. Op die manier – zo wordt gezegd – kan men het conflict gemakkelijker achter zich laten, en de blik richten op een (hoopvollere) toekomst. De weg wordt zo vrijgemaakt voor constructieve onderhandelingen over nieuwe afspraken over de onderlinge samenwerking.
Maar hoe zit dat eigenlijk in conflicten die er echt toe doen, over zaken en met mensen die echt belangrijk voor je zijn?
Lou Andreas-Salomé (1861- 1937), een schrijfster / psychoanalytica, die intensieve relaties onderhield met leden van de Europese intellectuele elite van haar tijd (onder wie Friedrich Nietsche, Rainer Maria Rilke, Sigmund Freud en Paul Rée) zegt in haar autobiografie het volgende over haar relatie met haar echtgenoot:
“We hadden ... veel voorkeuren en meningen gemeen. Het lijkt mij echter dat men het belang hiervan gewoonlijk schromelijk overschat; zeker, het schept contact, kameraadschap in het werk, en bereidt ons vreugde, maar even vaak dekt het juist daardoor de verschillen in geaardheid, de afstand tot elkaar, al te weldadig toe, zodat we elkaar er niet scherper door zien, er niet dieper door worden verenigd...” [Andreas-Salomé, L. (1979) Terugblik op mijn leven (p. 209). Amsterdam: De Arbeiderspers].Dus – als het er echt toe doet – is het noodzakelijk te focussen op juist die moeilijke onderlinge geschillen of op, zoals Carl Gustav Jung ze noemt, de delicate, lastige en gevaarlijke onderwerpen:
“The first rule … is to talk in the greatest detail about all the things that are the most ticklish and dangerous, and the most misunderstood” [Bair, D. (2003). Jung: A Biography (pp. 452). New York: Black Bay.]
Een vergelijkbaar punt maakt Peter Konwitschny in een interview over Richard Strauss’ opera Salomé: “... Je moet tot de oorzaak van de pijn komen om die te kunnen overwinnen. Dat proces doet pijn. Als het te vroeg mooi wordt kom je niet tot een oplossing. Dan is het een pleister, en behandel je alleen de oppervlakte...” (NRC 13/11/2009, 13). Maar van de andere kant, zomaar alles op tafel leggen en domweg al de negativiteit over elkaar uitstorten, is ook weer niet zo'n handig idee. Volgens Bill Noonan, een OD consultant uit de school van Chris Argyris, is een van de grootste fouten die een HR professional of een consultant (dus - zoals ik zelf denk - ook een mediator) kan maken, is:
“Telling someone or a group of people to have a difficult and candid conversation about a company's undiscussable ... Like poking a dangerously large creature with a pointed stick, it will only create agitation and the result is usually disastrous.
Too often, human resource executives and consultants call together a dysfunctional team or division and tell them to get everything out on the table. Soon, everyone lets it rip and there is blood on the floor. The aftermath of sore feelings, escalated tension and further entrenched views only serves as a confirmation that the undiscussable should remain undiscussable.” [Noonan, B. (2007). Discussing the Undiscussable: A Guide to Overcoming Defensive Routines in the Workplace, San Francisco: John Wiley]
Het resultaat is alleen ‘bloed op de vloer’ en een bevestiging van het angstige idee dat je discussies over zulke gevoelige, emotionele onderwerpen maar beter helemaal niet kunt voeren. Emoties zo maar (laten) spuien is risicovol, want onze gevoelens zijn vaak de weerslag van onze gekwetste trots en gewonde ego’s, onze angsten en onze ondoordachte impulsen. Simpelweg spuien kan de ander overweldigen ('flooding') en slechts een defensieve reactie uitlokken, ofwel een van ontkennen en minimaliseren ('neglect response') ofwel een van physiek of psychologisch vermijden en ontlopen ('stonewalling': 'exit response'). Het kan zo aan het begin staan van een zichzelf bevestigend, destructief communicatiepatroon.
Het uiten van emoties vereist dus enige communicatieve vaardigheid en misschien ook wel enige begeleiding door een derde partij. Men behoeft hulp om wat dieper te graven dan de oppervlakkige en instrumentele secundaire emoties, zoals verwijten en beschuldigingen om te komen tot de diepere, eigenlijke emoties die onze interactie motiveren.
De vraag is dus niet: ‘Praten over emoties of liever niet?’, maar ‘Hoe kun je een gesprek over gevoelige, emotionele onderwerpen het beste voeren?’ en ‘Hoe kun je als derde partij het beste assisteren bij een dergelijk moeilijk gesprek?’ Hoe dat het beste kan gebeuren is een onderwerp voor een ander blog.
Hugo PreinA problem with asking questions
In her biography of Carl Gustav Jung, Deirdre Bair is describing a conversation between Carl Jung and Sigmund Freud about a dream Jung had during their trip to the United States. In this dream, Jung found himself in a house with several levels, each furnished in an older time period. At the deepest part, in the true bottom of the house, the cave’s floor was encased with thick dust that covered bones and several partially decayed human skulls. Jung certainly wanted to analyze this dream with Freud, who he considered at that time to be his mentor, colleague and friend:
“Jung noted that Freud was interested in only one aspect of it anyway: “He was always circling around those skulls. He thought I was supposed to harbor a wish there.” Freud asked repeatedly: “Who do you wish were dead? Doesn’t anyone come to mind?” His questions formed a pattern. Whose skulls were they? What did Jung want from them? What did he want to happen to them? Again and again, and above all, Freud hammered the point: whose death was it worth Jung’s while to wish for?
Jung was befuddled: “He expected me to find a wish there, so I named my wife and my sister-in-law because I thought that was in accordance with his theory. It wasn’t true, but I followed his intention anyway because I wanted so much to learn from him. I thought he understood things better than I, so I kept thinking, What does he really want? What does he want me to say?”
Offering up his wife and sister-in-law must have been at least partially satisfying, for as soon Jung said their names, Freud seemed “suddenly liberated.” It disappointed Jung: “[Freud’s] negative judgments could continuously hurt you without your noticing it. He had to regard everything, for example, my relationship to my family, from the negative side. For him the world couldn’t continue to exist unless it were [negative].” [Bair, D. (2003). Jung: A Biography (pp. 177-178). New York: Back Bay Books.]
Hugo Prein
What is ‘real transformative mediation’?
Sometimes the term is connected to harmony models of forgiveness, for example in the domain of victim – offender mediation and restorative justice (Umbreit, Greenwood). In the Netherlands the term is sometimes used in a more individualistic-spiritual way, referring to a transformation of the person and a healing effect on the relationship with the other person.
The term conflict transformation or transformative mediation is not protected. It is simply a term for a concept. People can use it in their own way and give it the meaning they want. But this is confusing and could raise wrong expectations. It would be helpful, of course, if each of the variety of possible meanings were well-defined and distinguished from other possible meanings.
We at the Transformative Mediation Institute don’t claim to be 'the only real one' or to represent the only way of practicing transformative mediation. But we are clear about what we think that transformative mediation is and what it is not. For us it is not something spiritual; it is not about a transformative conversion process of an individual; and it is not about restoring harmonious relationships. We adopt Bush & Folger’s definition. For us it is about transformation of the interaction and the communication through which the conflict unfolds. Such a transformation process could include markedly conflictual communication (conflict talk). But when the participants in a mediation become more clear about what they want and what their options are, and when they become more capable of making the decisions that are necessary in the context of their conflict, there will be important shifts in the interaction. If they become better able to take the perspective of the other party, there will also be important shifts in the interaction. Such shifts are what we mean by transformation.
Hugo Prein
Wat is ‘echte transformatieve mediation’?
Soms wordt de term ook in verbinding gebracht met harmoniemodellen van verzoening en vergeving, bijvoorbeeld op het terrein van dader-slachtofferbemiddeling of Restorative Justice & Peacemaking (Umbreit, Greenwood). In Nederland wordt de term soms op een meer individualistisch-spirituele manier gebruikt en wordt daarmee bedoeld dat het zou gaan om de transformatie van de persoon en de helende werking die daarvan uitgaat op de relatie met de ander.
De term conflict-transformatie of transformatieve mediation is uiteraard niet beschermd. Iedereen kan daaraan zijn of haar invulling geven en heeft het goed recht om de term een eigen inhoud en betekenis te geven.
Het is evenwel verwarrend en kan verkeerde verwachtingen wekken. Het zou daarom helpen als ieder zijn of haar eigen benadering zou definiëren en zou positioneren ten opzichte van elkaar.
Wij claimen met het Transformative Mediation Institute niet 'de enige echte' te zijn of de enige manier te presenteren waarop je transformatieve mediation zou kunnen praktiseren. We zijn evenwel wel duidelijk over wat we er niet en wat we er wel onder verstaan. Het gaat ons niet om iets spiritueels of om een transformatief ‘bekeringsproces’ van een individueel persoon of om het bewerkstelligen van harmonieuze relaties. Wij volgen hierbij de definitie van Bush & Folger. Voor ons gaat het om een transformatie van de interactie en de onderlinge communicatie, waarmee het conflict transformeert. En een dergelijke transformatie van de interactie kan soms vragen om behoorlijk wat conflictueuze communicatie (conflict talk). Maar wanneer de deelnemers in een mediation duidelijker krijgen wat ze willen en wat hun mogelijkheden zijn en zij beter in staat zijn om beslissingen te nemen die in het kader van hun conflict nodig zijn, vindt er een belangrijke omslag in hun interactie plaats. Als zij daarbij ook beter in staat zijn het perspectief van de andere partij in te nemen, treedt er eveneens belangrijke omslag plaats. Dit soort omslagen duiden we aan met de term conflicttransformatie.
Hugo Prein
Troubled Water
De macht van de een vraagt om domheid van de ander
‘Domheid is een gevaarlijker vijand van het goede dan slechtheid. Tegen het kwade kun je protesteren, je kunt het ontmaskeren of desnoods met geweld verhinderen. Het kwade draagt altijd de kiem van eigen ontbinding in zich, want het laat in de mens ten minste een gevoel van onbehagen achter. Tegen domheid zijn wij weerloos. Noch met protesteren noch met geweld is hier iets te bereiken. Argumenten baten niet. Feiten die niet stroken met eigen vooroordeel kan men eenvoudig ongeloofwaardig noemen – in zulke gevallen wordt de domme mens zelfs kritisch – en feiten die niet te ontkennen zijn kunnen opzij geschoven worden als nietszeggende uitzonderingen. Bovendien is de domme mens, in tegenstelling tot de slechte mens, zeer tevreden met zichzelf. Hij is zelfs gevaarlijk want hij is prikkelbaar en agressief. Daarom moet men met de domme voorzichtiger zijn dan met de slechte...
Om te weten hoe wij domheid moeten benaderen moeten wij proberen haar wezen te begrijpen. Vaststaat, dat domheid geen gebrek is aan intelligentie, ... Er zijn mensen met een buitengewoon snel verstand die dom zijn, en mensen met een traag verstand die allesbehalve dom zijn. ... domheid (is) ... niet zozeer een aangeboren gebrek..., maar ... mensen (worden) onder bepaalde omstandigheden dom gemaakt of (laten) zich dom maken... Het is ... een psychologisch bijverschijnsel van bepaalde sociale verhoudingen.
Bij nader inzien blijkt dat iedere sterke machtsontplooiing, politiek of religieus, een groot deel van de mensen met domheid slaat. ... De macht van de een vraagt om domheid van de ander. ... Overweldigd door de machtsuitoefening, wordt de mens beroofd van zijn innerlijke zelfstandigheid en ziet ervan af – meer of minder bewust – een eigen houding te vinden tegenover de wereld waarmee hij geconfronteerd wordt. De nukkigheid van de domme mens mag ons niet doen geloven dat hij zelfstandig is. Als je met hem praat, merk je direct dat je niet te maken hebt met hem zelf, met hem persoonlijk, maar met leuzen en slogans die macht over hem hebben. ... Hier blijkt overduidelijk, dat de overwinning van de domheid geen kwestie is van voorlichting maar alleen van bevrijding. En men zal er in moeten berusten dat echte innerlijke bevrijding in de meeste gevallen pas mogelijk wordt, nadat eerst de uitwendige bevrijding heeft plaatsgehad...'
(Dietrich Bonhoeffer, Verzet en Overgave, Ten Have 2007, p. 20-21)
Het is een prachtige, inspirerende tekst. De tekst maakt duidelijk wat het negatieve effect kan zijn van te sterk directief ingrijpen door de mediator op de autonomie van de deelnemers in een mediation.
Het geeft ons ook te denken over de negatieve effecten van politieke machtsspelletjes die ook binnen de mediationwereld plaatsvindt. Het levert een mogelijke verklaring voor het zwakke verweer tegen dat soort machtspolitiek.
Hugo Prein









